De komende maanden laten we op Gevaarlijk Spel een aantal experts aan het woord over de aanbevelingen uit het onderzoek, te beginnen met metajournalistiek. Wat we daaronder verstaan schreven we vorige maand. Deze week reageert Max van Weezel, politiek journalist en – tot afgelopen jaar – voorzitter van Nieuwspoort. Volgens hem doen Nederlandse journalisten amper aan zelfreflectie. En is een oproep tot metajournalistiek daarom bij voorbaat kansloos.
Wat een goed idee, een discussie op gang brengen over metajournalistiek. Maar wat zal het moeilijk worden de journalisten ertoe te bewegen aan die discussie mee te doen. Ik vind het altijd vervelend bedenkers van veelbelovende initiatieven meteen te demoraliseren maar een waarschuwing is op zijn plaats: als er één beroepsgroep is die zich niet in de kaart wil laten kijken en zich niet op de vingers wil laten tikken, dan zijn het de vertegenwoordigers van de pers. Zelf ben ik door schade en schande wijs geworden.
Neem het congres van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren in Hotel Krasnapolsky een paar jaar geleden. Job Cohen – toen burgemeester van Amsterdam – hield de openingsspeech. Hij stelde de slordigheid van de journalistiek aan de kaak. Concreet voorbeeld: het blad Binnenlands Bestuur had hem verweten de gemeenteraad niet te hebben geïnformeerd over een politie-onderzoek dat gaande was. Volgens Cohen zat het anders: hij had de raadsleden vertrouwelijk geïnformeerd om het politie-onderzoek niet te doorkruisen.
Enigszins gepikeerd had de burgemeester een protestbrief naar de redactie gestuurd. Konden ze het foute bericht rechtzetten alstublieft, liefst op dezelfde plek waar het had gestaan (de voorpagina). De brief was afgedrukt, zo klein mogelijk, helemaal achterin het blad. Eén alinea had de redactie geschrapt, de alinea waarin Cohen vroeg of zijn brief op de voorpagina kon worden gezet. Dat hoefde de lezer kennelijk niet te weten.
Het leek me een wake up call voor de verzamelde hoofdredacteuren maar niemand reageerde. Het congres ging over tot de behandeling van het rapport Medialogica waarin de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling de pers opriep meer aan zelfbezinning te doen. Per motie werden de aanbevelingen van het rapport ten strengste veroordeeld. Wie dachten de leden van de RMO wel wie ze waren? Riekte dit niet naar persbreidel? Op twee mensen na – Joost Divendal, de inmiddels overleden hoofdredacteur van De Journalist, en ik zelf – nam niemand het voor de raadsleden op. Het was een ontnuchterende ervaring.
Achterkamertjes
Het heeft iets paradoxaals: een beroepsgroep die zich ten doel stelt tegels te lichten en de waarheid boven tafel te krijgen, die politici, industriëlen en kerkvorsten op hoge toon ter verantwoording roept, is als het om het eigen functioneren gaat zo gesloten als een oester. Ik heb dat aan den lijve meegemaakt.
Van 2007 tot begin vorig jaar was ik voorzitter van het Internationaal Perscentrum Nieuwspoort in Den Haag, de moeder van alle achterkamertjes. Met de Fortuynrevolte nog levendig voor ogen stelde ons bestuur zich tot doel de conspiracy of silence over de journalistiek te doorbreken. Met een jaarlijkse Kees Lunshof-lezing, met publicaties over het politiek-publicitair complex als Perspectief van Herman van Gunsteren en Cox Habbema (pdf) en Je hebt het niet van mij, maar… van Joris Luyendijk. Met een masterclass voor politici, voorlichters en parlementaire journalisten.
Het initiatief werd ons niet allerwegen in dank afgenomen. Waarom bezondigden we ons aan zelfbevlekking? Wat had een pottenkijker als Luyendijk in Nieuwspoort te zoeken? Konden we de contributiegelden niet aan iets beters besteden, goedkopere wijn of sappiger biefstukken in de sociëteit bijvoorbeeld? Het waren nooit politici of voorlichters maar altijd journalisten die dat soort opmerkingen maakten. Het weerhield ons bestuur er gelukkig niet van de Operatie Openheid door te zetten. Maar de tegenwerking was niet gering.
Discussie aanzwengelen
Door wie laten journalisten zich eigenlijk iets zeggen? Welke platforms en gremia bestaan er die de discussie over het functioneren van de pers aanzwengelen? Het Genootschap van Hoofdredacteuren heeft nooit voorop gelopen. De NVJ is een vakbond die aan materiële belangenbehartiging doet maar zich niet over het werk van de aangesloten leden wil uitlaten. De Raad voor de Journalistiek wordt door toonaangevende media als De Telegraaf en Elsevier gewoonweg niet erkend. De Stichting Mediadebat, in het leven geroepen door de toenmalige staatssecretaris Medy van der Laan, stierf een snelle dood.
Leuk om de lezers uit te nodigen te discussiëren over de popularisering van de dagbladen maar wat te doen als de hoofdredactie van het AD zijn verslaggevers verbiedt aan die discussie mee te doen? Want dat gebeurde. De media gunnen anderen niet snel een kijkje in de keuken.
Autoriteiten die zich over de pers uitlaten, worden op zijn best op een cold shoulder getracteerd. Zoals Uri Rosenthal, die in het boek Afrekenen met Peper van Bas Soetenhorst en Michiel Zonneveld de incidentenjournalistiek bekritiseerde, Hans Dijkstal (’In de politiek draait het steeds meer om beeldvorming’) of Jozias van Aartsen, die waarschuwde voor de ‘CNN-factor’ (‘Het nieuws krijgt steeds meer een soap-gehalte’). Een breed gevoerde discussie brachten hun opmerkingen niet op gang. En de Nationale Nieuwsmonitor mag nog zo vaak waarschuwen dat journalisten teveel aandacht aan het getwitter van Wilders besteden, indruk maakt dat niet. Alsof wetenschapsmensen verstand van de journalistiek hebben! Omgevallen boekenkasten zijn het!
Hypes en incidenten
Regelgeving van bovenaf om de pers tot een andere werkwijze te dwingen is abject. De vrijheid van meningsuiting komt dan in gevaar. Beter is het om – zoals Medy van der Laan deed – de media op te roepen meer aan zelfreflectie te doen. Maar dan moet dat wel gebeuren. En dat gebeurt naar mijn waarneming niet of volkomen onvoldoende.
We zullen dus nog wel even opgescheept blijven met de hypes en incidenten, met de beeldvorming die het wint van de feiten, met de vorm die de inhoud bepaalt. Ik wens de initiatiefnemers van de discussie over metajournalistiek alle sterkte van de wereld. Maar als het om de deelname van de journalisten aan die discussie gaat, zou ik zeggen: reken je niet rijk.
Max van Weezel
Politiek columnist Vrij Nederland, presentator Argos en Met het oog op morgen en voorzitter van Nieuwspoort (2007-2011)
Gevaarlijk Spel is een onderzoek naar de verhouding tussen de journalistiek en de pr- en communicatiesector. Uitgangspunt vormen de norm die de professionele journalistiek zichzelf stelt: het streven naar onafhankelijkheid.




Ja, het is niet eerlijk. Een kunstenaar mag een pseudoniem gebruiken, maar een journalist moet zijn sofi-nummer blootstellen tegenover meesters in de rechten, de meest populaire titel on der politici. Als je geld wil verdienen, dan ga je rechten of economie studeren, maar als je levensgevaarlijk werk wil doen, dan wordt je journalist.
Betreft die zelfreflectie, steun van het leger zou leuker zijn. Politici die geen nee kunnen zeggen tegen een interview, omdat ze een Browning 9 op hun hoofd hebben gericht. Wettelijke plicht tot beantwoorden van juist de ontweken vragen, wat een enorme bron van realiteit. De camera in het achterkamertje. Hypnotherapie om de waarheid boven water te krijgen en getuigenissen van Afghaanse bolletjesslikkers.